Hotel-Restaurant De Plantage


Hotel-Restaurant De Plantage
is gelegen in het district
Commewijne in Suriname

Contactadres:
Oost-westverbinding km 23.5
District Commewijne
Suriname
Telefoon: +597 (0)356567
Info@deplantagecommewijne.com
Pers
Paradijs binnen handbereik
De Plantage
Paradijs in handbereik

De Nederlanders Pieter van der Grift en Peter van Huffel verkochten hun huis in Amsterdam. Met het geld zijn zij gestart met rustoord en hotel-restaurant ‘De Plantage’. Op de ooit bloeiende cacaoplantage Monpellier in Commewijne. De locatie is perfect en idyllisch, gedompeld in een bosmelange. Als het onbewoonde paradijs in handbereik. “We mikken op rustzoekers.”

door Iwan Brave

Zo’n drie en half jaar geleden kwam ik Pieter tegen in Tori Oso; een bakra die zijn geluk kwam beproeven. “Ik wil iets beginnen in Suriname”, zei hij, op een toon alsof hij er zelf nog niet helemaal uit was. “Als het zover is, moet je me bellen, misschien kan ik erover schrijven”, zei ik. Eigenlijk meer uit beleefdheid omdat hij vertelde dat hij altijd ‘met plezier’ mijn artikelen op het internet las. Wat hij precies ging doen, vroeg ik maar niet. Waarom zou ik in mijn toch al overlopende hoofd iets erbij proppen dat toekomstig was en wellicht illusoir? Pieter ging gekleed in groen-kaki-achtige tinten, een beetje alternatief; dus ik hield het maar op: ‘vast iets met opvang van arme, wezenloze kindertjes’.
Kortgeleden was hij bij de redactie langsgekomen en had een visitekaartje op mijn bureau achtergelaten. ‘Hotel Restaurant De Plantage – Commewijne’, stond erop. Zo zie je maar weer: never judge a man on his look. Wat en waar precies, wist ik niet. Maar als bepleiter van de participerende journalistiek, leek het me sowieso leuk om er ook te overnachten. Bovendien kan je zo ‘werken’ combineren met een aangenaam weekend.
“Zo’n drie en halve kilometer na de laatste drempel van Tamanredjo, honderd meter voor de Orleanekreek, bij EBS-paal 19450 de bosweg 700 meter naar binnen”, had Pieter door de telefoon uitgelegd. Zo’n 23 kilometer vanaf de Wijdenboschbrug richting Albina. Je kan gewoon niet verdwalen.
Dus trek ik op een zonovergoten zaterdag eropuit naar Commewijne, in gezelschap van fotograaf Hijn en mijn steeds meer zuchtende, hoogzwangere vrouw Gabriëlle. De bosweg van zand slingert, zoals je het voorstelt in de oude plantagedagen, in ruime slagen naar binnen. Door de grasberm in het midden zou je zweren elk moment een huifkar tegen te komen. Alhoewel die illusie enigszins verstoord wordt door suizende auto’s over de Oost-Westverbinding. Maar dat is toch ook wat de moderne ‘eco-toerist’ wil – de zweem van ongerept, maar met het geruststellende gevoel dat de bewoonde wereld in de nabijheid is, met optimale signalen voor mobiele telefonie. Dit alles gedompeld in een bosmelange.
In de omgeving is veel bamboe, die reusachtig bovenuit fonteint. Awarabomen, wilde papaya’s. Monki-monki’s die je nieuwsgierig en wantrouwend tegelijk gadeslaan vanuit de boomtoppen. Een colonne trekt over onze hoofden waar bamboe als een tunnel nederig over de weg buigt.

‘De Plantage’ maakt een achtste deel uit van de voormalige cacaoplantage ‘Monpellier’ uit de bloeiende slaven- en koloniale tijd. De locatie is perfect en idyllisch. Er zijn acht speels opgestelde stenen huisjes met bladerendak. Een binnenlands dorpje op zich. “We hebben alle soorten bladeren gebruikt: truli, pina en tassie”, vertelt Pieter die ons heeft ontvangen en naar onze huisjes brengt. Een looppad van ongelakt walabaplanken, horizontaal gelegd, voert je in een hoekige slinger langs alle huisjes. Door de overhangende markoesa-aanplant is het schaduwrijk corridor. Het wordt ‘de brug’ genoemd. De grove draadpalen lijken uit de grond te groeien. Overal op de grond rijpe, gele Markoesas. “Ik maak elke dag markoesasap”, zegt Pieter.
Tussen laatste huisjes en het bos ligt een ruime lichtglooiende grasgazon met amandelbomen en bacoveplanten. Op de dijk, aan de overkant van de kreek, staan een rits jonge palmplanten. Kippen, kuikentjes, ganzen en een kalkoen zorgen voor de huiselijke boerderijsfeer. Allerlei fruitbomen en planten: zuurzak, cashew, zuuroranje, mandarijn en ananas.
Zes huisjes zijn voor twee persoen met een dubbelbed en één voor vier personen met een dubbelbed en twee enkelbedden. De huisjes zijn praktisch in drieën opgedeeld. De witte muren worden niet gestuit door een plafond. Het effect is een zwevend bladerendak, waardoor ruimtelijkheid wordt gecreëerd. Het interieur is luxueus zonder dat het afbreuk aan het natuurgevoel. Smaakvolle wandlampen. Het voorgedeelte is living met zitelementen en salontafel van rotan. Het middendeel is slaapkamer met bruinhouten bed. Beide zijden een nachtkastje met leeslamp. Een wekkerradio. De klamboe is met geschaafde takken in een vierkant overspannen: een romantisch, tropisch hemelbed. De douchetoiletruimte is bekleed met lichte tegels; marmerlook. Wasbak en toiletblok modern klassiek. Elk huisje heeft een eigen boiler, die voor warmwater zorgt, ijskast en waterkoker. “Het is allemaal zoals wij zelf ook graag zouden willen hebben als gast”, zegt Pieter.
Op het voorterrasje tafeltje en stoeltjes in Franse stijl, een houten baddoekenrek en een blauwgeglazuurd  aardewerkpot met huiselijke plant. Rondom de huisjes een vernuft betonnen waterafvoergeul. Er is duidelijk over nagedacht.

Het restaurant torent boven alles uit. Doet denken aan een grote Inheemse kampu. Zeker van binnen door al die spanten waarop het bladerendak rust. “Ik ben maar gaan tekenen, waarvan ik dacht dat het praktisch is”, zegt Peter van Huffel, de partner van Pieter. “Het moest in elk geval hoog zijn met uitzicht; sowieso waait het dan meer. Onder veel ruimte, voor vooral opslag.” Beneden zijn het kantoor en twee uitgebreide toiletgroepen gevestigd.
De constructie is achthoekig geworden, met ruime vlakken. Geen vensters maar muskietengaas. Een machtig gevoel van overzicht zoals in een verkeerstoren. Het interieur is overheersend hout en natuurlijke materialen. De bar drijft als een eiland in het midden en is bekleed met ingi-pipa. Javaans vlechtwerk aan de wand bij de klapdeuren naar de keuken. Massieve, lokaal vervaardigde tafels met chique import rotanstoelen.
Peter noemt de goed geoutilleerde keuken: ‘mijn koninkrijk’. De taakverdeling is grofweg: hij vergast de inwendige mens en heeft het bedieningspersoneel onder zijn hoede en Pieter doet de ontvangst. “En alles wat de planten, bloemen en bomen aangaat.”
Vanuit het restaurant kijk je uit op het ideale vakantieoord, met als middelpunt een rond, blauw zwembad en dito kinderbad. Het zachtgrijs betegelde terras vormt een grote cirkel om de zwembaden en is aan een zijde grillig, met een gebogen uitloper als toegangspad, waardoor het lijkt op een olijke tekstballon uit een stripboek.

Pieter en Peter hebben hun huis in Amsterdam verkocht en het geld als ‘startkapitaal’ gebruikt. “Ik wilde al vanaf 1986 weg”, vertelt Pieter. Hij was in West-Afrika geweest, de mentaliteit en de mensen bevielen hem uitstekend. Dat gevoel vond hij hier in Suriname terug tijdens een vakantie in het binnenland. “Toen ik weer op Zanderij was, wilde ik ‘t vliegtuig niet meer in.”
Hij werkte acht jaar met asielzoekers – had ik toch niet zo gek nog niet gezien bij onze eerste ontmoeting – en nam ontslag toen een grote reorganisatie kwam. Hij was na die eerste vakantie binnen twee maanden weer terug in Suriname om toen serieus naar een plek te zoeken om  hier een vakantieoord te beginnen. En toen zag hij via de
site ‘Domiporta.nl’ dit deel van Monpellier te koop staan.
In betrekkelijk korte tijd hebben de veertigers in al hun bescheidenheid iets indrukwekkends neergezet. Maar er waren ook tegenslagen. Zo ging de eerste aannemer ervandoor met een ‘substantieel bedrag’. “Wat er toen stond was een soort ruïne; een paar muren en funderingen”, vertelt Peter, die ook de huisjes heeft getekend.
Maar gelukkig kenden ze zij Regilio, die op zaterdag mee hielp in de tuin, Hij had twee ooms die konden bouwen.  Zij begonnen  de dakconstructie  van de huisjes weer te slopen. Er werd niet snel gewerkt, maar wel precies. Na een paar maanden ga je elkaar vertrouwen.  Ik ben  trots op Humphrey, een van de ooms van Regilio. Hij werkte hier als voorman.  Hij is een Indiaan, en zegt niet zoveel. Zo zei hij alleen over de dakspanten van het restaurant: ‘Te zwak’. Vandaar die tussenspanten. Toen we hier aankwamen kenden we alleen pinabladeren. Hij zei: ‘trulie, gaat langer mee.’ We vulden elkaar aan. We zijn een grote familie. Zij zijn er ook trots op wat hier is gebouwd. Humphrey zei een keer: ‘Ik wist niet dat het zo mooi zou worden’.”
Het is een kwestie van je laten meevoeren met de tropische vaart van het land. “Ik dacht dat bouwen wel in een half jaar”, vertelt de wijzer geworden Peter. “Maar dat komt ook omdat we gaandeweg steeds iets erbij verzinnen: een kampje voor hangmatten; het bamboebarretje bij het zwembad; het is een non-stop-idee.”

Na een verkwikkende duik in het zwembad, krijgen we ’s avonds een viergangenmenu voorgeschoteld door Peter, in zijn knooprijke chef-de-cuisine-hemd. De bediening is in handen van twee knappe Javaanse jongens, Regilio en Armano, in blauwe hemden met tropisch motief. Aan tafel zitten ook Floris en Laura; een neef en nicht van Pieter die voor zes weken op vakantie zijn. Suriname bevalt de tieners uitstekend! De lantaarns met dimlicht die om de ene draad gevestigd zijn aan ‘de markoesabrug’, zorgen voor een sprookjesachtige sfeer.
We drinken markoesasap (tikkeltje te zuur – volgens Gabriëlle ‘uitstekend!’), Zuid-Afrikaanse wijn en Surinaamse markoesawijn. Het aperitief biedt twee keuzes: kippenleverparfait met stokbrood en knoflookboter of visballetjes in zoetvriendelijke saus. Dan romige tayerbladsoep. Hoofdgerecht is een Marokkaanse vleesschotel. “Ik maak wat ik lekker vind en kan koken”, zegt Peter,. “Ik moet me vooral niet aan Surinaams wagen, want dat kunnen Surinamers beter dan ik.” Nagerecht is ijs of meloen.


Het is aangenaam wakker worden op de Plantage met al die vogelgeluiden. Eveneens zalig is het douchen onder een warme straal. “Schaduwrijk, lekker om te wandelen, als een park”, vertelt Pieter over het toekomstbeeld van De Plantage tijdens de ochtendwandeling. “We mikken op rustzoekers. Suriname is zo’n mooi land maar er zijn zo weinig rustplekken rondom Paramaribo.”
Om het bos, dat ook tot het landgoed behoort, te bereiken, moeten we eerst over de kreek via een smal houten loopbruggetje, ook van ongelakt walabahout, met aan één kant touwreling. Decoratief zeer verantwoord. In het koelvochtige en padenrijke bos heerst er nog meer sereniteit. “Hier kom je in een heel andere wereld”, zeg Pieter over zijn ‘lievelingsplek’. Her en der, tussen het elkaar verdringend groen, staan cacaoplanten. “Overblijfselen van de plantagetijd van 200 jaar geleden.” Over een grote kankantrie zegt Pieter: “Ik ben blij dat we deze hebben.” Elders staat er nog een, wier stam een holte heeft als een omgekeerde oksel. “Hierin heeft maanden een gierjong gezeten.”
Via een ander bruggetje keren we terug.
De Plantage leent zich niet alleen voor vakantiegangers, maar ook voor ingezetenen die kiezen voor een ik-verwen-mezelf-weekendpackage buiten de stad, maar niet al te ver. Of voor stafleden van bedrijven die willen brainstormen over de nieuwe strategie. Het restaurant is de ideale plek om een nog twijfelende buitenlandse investeerder over de streep kan trekken.
We zijn neergestreken op een huisterrasje. Pieter zegt “Mets en Acces Travel willen het graag verkopen. ‘We hebben nog geen overnachtingmogelijkheid in Commewijne’, werd enthousiast gezegd. Hier kunnen we alles realiseren wat willen. Ik hoop zelfs dat het niet al te druk wordt.”
Pieter relativeert de tegenslagen: “Ik ben uiterst tevreden. Zelfs na het eerste debacle zei ik: ‘De stap is goed geweest maar nu even rustig aan doen’. In Nederland was het altijd weer die sleur, maar ondertussen sta je letterkijk stil in de auto, in de file. Ik vroeg me af: wil ik dit tot mijn vijfenzestigste? In Suriname kan je ‘zijn’. Hier ben je ook druk, maar de natuur is hier meer.”
Dat zal het wel zijn, waarom wij geheel opgekikkerd maar zonder deemoed weer richting Paramaribo rijden; De Plantage is als het onbewoonde paradijs in handbereik.



Bovenstaand artikel verscheen op 31/08/2005 in Paramaribo Post als bijlage van de Ware Tijd.